Jacobus 1:19-27
 
Erik Weihenmayer is een fenomenale bergbeklimmer uit Amerika. Hij is een van de jongste mannen ter wereld die de zeven hoogste bergtoppen van de wereld heeft beklommen, onder andere: de Mount McKinley, de hoogste top van de Verenigde Staten, en de Mount Kilimanjaro. Op 25 mei 2001, op de leeftijd van 33 jaar bereikte hij de top van de Mount Everest. Een plek die nooit bereikt wordt door 90% van de mensen die de Mount Everest proberen te beklimmen. Het is zeker een grote prestatie vooral als we weten in welke situatie Erik Weihenmayer dit allemaal heeft bereikt. Hij is namelijk blind sinds zijn 13de. Erik Weihenmayer is een blinde bergklimmer! Hij is een bron van inspiratie voor velen.
 
 
 
Maar hoe doet hij dat? Hoe kan iemand die blind is, de hoogste berg ter wereld beklimmen? Hij vertelde op een dag zijn geheim. Hij heeft geleerd om goed te luisteren.
- Hij luistert naar de bel, gebonden aan de achterkant van de bergbeklimmer vóór hem: dat toont hem welke weg hij moet gaan.
- Hij luistert naar zijn bergklimmaatjes die naar hem schreeuwen: "Doodvallen twee stappen naar rechts!" : dan weet hij welke richting hij niet moeten gaan.
- Hij luistert naar het geluid van zijn ijsbijl die het in het ijs prikt: zodat hij weet of zijn voet veilig staat of niet.
Goed luisteren is voor Erik Weihenmayer belangrijk. Het is een kwestie van leven en dood.
 
Jacobus spreekt in onze lezing over goed luisteren. Goed luisteren kan alleen gebeuren als we trager zijn om te spreken en zeker als we niet beheerst worden door emotie. Men heeft wel eens gezegd: “God heeft ons twee ogen gegeven en twee oren, maar slechts één mond, zodat Hij kennelijk verwacht, dat we tweemaal zo goed luisteren en kijken dan spreken”. 
 
Wij leven in een moderne tijd waarin de communicatie erg snel gaat. We communiceren bijna met de snelheid van het licht: met onze smartphone, via sociaal media, via e-mail, en vooral nu via whatsapp. Wij kunnen tegelijktertijd zoveel mensen bereiken met onze communicatiemiddelen. Hoe vaak kijkt u per dag naar uw smartphone? Zo gemakkelijk is de communicatie als er maar WIFI is, zegt men. Maar is het waar? Mensen hebben juist sneller ruzie met elkaar vanwege snelle WIFI. ‘Ik zie die dubbele blauwe vinkjes op jouw WA, maar je reageert niet’. Sleutel van goede communicatie echter is goed luisteren. Luisteren we goed naar elkaar? Luisteren we goed naar God? 
 
Net als vorig jaar, denken we na over het jaarthema van de GKIN “Samen Gods aanwezigheid vieren in de eredienst”. Elementen van de eredienst worden dit jaar verder verdiept in de prekenserie met het volgende thema: “Gebed in de eredienst: wat betekent het?” (door ds. S. Tjahjadi), “Dankoffer: moeten we voorbereiden (door ds. S.M. Winckler- Huliselan). Vandaag is ons thema: “Preken in de eredienst: hoorder of dader? (door ds. J. Linandi). 
 
Wij luisteren elke zondag naar de preek van de dominee. De ene predikant is de andere niet. Er zijn zoveel manieren en methoden van preken. De ene manier spreekt de ene aan, de andere manier spreekt de ander aan. Maar wat belangrijk is om te beseffen: “Namens wie spreekt de predikant?” Een predikant is Verbi Divini Minister. Dat is Latijn en betekent: Dienaar van het Goddelijke Woord. Dit herinnert ons dus als gemeente dat het een buitengewoon voorrecht is dat God Zijn Woord aan ons wil geven. Mogen we in de eredienst ’s zondags steeds vervuld zijn van verlangen naar God die tot ons wil spreken en dat wij ontvankelijk luisteren naar Zijn Woord (met een open houding), ongeacht door welke dienaar of predikant Hij ook spreekt. De open houding zoals de jonge Samuël in de Bijbel die tegen de Heer zegt: “Spreek, Uw dienaar luistert” (I Samuël 3:10). Luisteren geldt ook voor de predikant. Voordat de gemeente luistert naar de preek van de predikant, moet de predikant eerst goed luisteren naar Gods Woord en in volle ontvankelijkheid en afhankelijkheid aan God zeggen: “Spreek Heer, Uw dienaar luistert”.
 
Jakobus gaat nog verder. “Alleen horen is niet genoeg, u moet wat u gehoord hebt ook doen”. In de HSV staat: “Wees daders van het Woord, en niet alleen hoorders”. In zijn brief gaat het niet over de theorie, maar helemaal over de praktijk; over: hoe leef je als kind van God in deze wereld. Jakobus wil als het ware zeggen: wat koop je voor mooie woorden, als het er niet uitkomt in je daden? Je moet het ook doen.
Als je niet in praktijk brengt wat je gelooft, als je het niet waar maakt, dan ben je net als iemand die in de spiegel heeft gekeken, en die weer wegloopt en prompt totaal vergeten is hoe hij eruit zag?
 
De bijbel is een spiegel. De verkondiging van het evangelie is een spiegel. Elke zondag in de kerk kijken we naar die spiegel. Hier ziet u hoe het echt is; en hoe u echt bent. Wij mogen ook ontdekken wat wij om Christus’ wil mogen zijn. Maar als u dat gezien hebt, dan moet u er natuurlijk wel wat mee doen; dan zal dat te merken zijn in uw leven. Anders hebt u er nog niks aan. Dat zegt Jakobus.
 
Misschien is dit het grootste gevaar voor het christendom: dat christenen het Woord van God alleen horen, maar niet in praktijk brengen. Wij horen veel van het Woord, maar ons hart blijft onveranderd. Onze woorden en daden liggen ver uit elkaar. Wij leven niet vanuit wat wij geloven. Het is niet verwonderlijk dat niet gelovigen soms zeggen: “Ik heb geen moeite met God, het zijn Zijn volgelingen, Zijn grondpersoneel die ik voor geen meter vertrouw”. Als we dit horen, laten we ons niet meteen verdedigen, maar het zien als een spiegel voor ons. 
 
In onze nieuwe liturgie willen we daarom meer bewust worden van het belang van horen en doen. Na de Schriftlezing spreekt de predikant daarom de woorden van de Here Jezus: “Gelukkig zij die luisteren naar het Woord van God en ernaar leven (Lucas 11:28)”. Vervolgens beantwoordt de gemeente met een lofzang ‘‘Halleluja (3X)”
 
In welke aspecten moeten wij vooral het Woord van God in praktijk brengen? Jacobus werkt het uit: in ons persoonlijk gedrag (levenswandel) en in onze zorg voor de behoeftigen (naastenliefde).
 
Persoonlijk gedrag (levenswandel)
Jacobus waarschuwt de gelovigen in het gebruikmaken van de tong. En dan maakt hij het gelijk ook heel concreet. In vers 26 zegt hij dat je godsdienst helemaal niks voorstelt, als je je tong niet beteugelt. Als je almaar loopt te kleppen over anderen, roddels doorvertelt, negatief spreekt over anderen, en mensen zwart maakt, nou, zegt Jakobus, dan heb je er dus nog niet veel van begrepen. In zijn derde hoofdstuk zegt Jacobus hierover nog verder: “9 Met onze tong zegenen we onze Heer en Vader, en we vervloeken er mensen mee die God heeft geschapen als zijn evenbeeld. 10 Uit dezelfde mond klinkt zegen en vervloeking. Dat kan toch niet goed zijn, broeders en zusters?” (Jacobus 3:9-10).
In het gebruikmaken van onze tong kunnen de volgende vragen ons helpen als filter: 
- Is het wat ik ga zeggen nuttig of nutteloos? 
- Is het wat ik ga zeggen opbouwend of afbrekend? 
- Is het wat ik ga zeggen arrogant of bescheiden? (Vgl. Efeziërs 4:29, Spreuken 12:18; 25:11)
Wij kunnen ons ook afvragen: ‘Spreek ik de juiste woorden, op de juiste tijd, op de juiste manier, met de juiste motivatie?’
 
Zorg voor de behoeftigen (nastenliefde)
De weduwen en wezen waren in die tijd de zwakken in de samenleving. Ze zijn mensen die er alleen voor staan, omdat ze geen helper hebben. Zij hebben niemand om op terug te vallen, en daarom zijn zij zwak en kwetsbaar.
Dit geldt ook voor ons in Nederland. Ondanks de zorg voor de behoeftigen in Nederland wordt veel geregeld door de overheid, mogen we hier als kerk niet verstek gaan. Sociale betrokkenheid en naasten liefde hoort bij christen-zijn. Onze zorg voor de behoeftigen is teken van onze liefde aan Christus. In Matteüs 25:40 zegt de Here Jezus: “Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.”
 
Onze bereidheid om actief te zijn in de kerk is ook een daad van ‘doen’ en niet alleen ‘horen’. Als God ons vraagt: ‘Wie geloof dat Ik Mijn gemeente wil bouwen?’. Ik ben ervan overtuigd dat alle handen omhoog zullen gaan. Maar als God verder vraagt: ‘Wie wil Mijn gemeente bouwen? Wie wil Mij dienen als ouderling of  commissielid om Mijn gemeente te bouwen?’ Hoeveel handen blijven nog omhoog? Het zoeken naar nieuwe ouderlingen in de hele GKIN is jaar in jaar uit een zware klus. De Here Jezus zegt: ‘De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig’. Zijn er arbeiders die de stem van de Heer niet alleen ‘horen’, maar ook ‘doen’? Moge we meer bereid zijn om dienstbaar te zijn in Gods Koninkrijk. Net als de leus van een bekend schoenenmerk: ‘Just do it!’. ‘Gewoon doen!’.
 
Het thema van deze preek is: “Preken in de eredienst: hoorder of dader?” Wat kiest u: hoorder of dader? Kies voor beiden! Wees een goede hoorder en dader!
 
We moeten luisteren naar het Woord van God, zoals Erik Weihenmayer: luistert naar de bel, naar zijn bergklimmaatjes en naar het geluid van zijn ijsbijl. We moeten luisteren alsof ons leven ervan afhangt, want dat is zo. 
En net als Erik Weihenmayer, niet alleen luisteren, maar omzetten in daden. Alleen horen is niet genoeg, u moet wat u gehoord hebt ook doen. Wanneer wij doen wat wij horen, het Woord van God in praktijk brengen, zullen we weten welke weg wij moeten gaan, welke richting wij moeten vermijden, en dan zullen we de berg beklimmen, de moeilijkheden overwinnen, en het doel bereiken die God voor een ieder van ons heeft. Amen.
 
Verdiepingsvragen
  1. Welke manier van preken spreekt u aan? Waarom? Hoe kan GKIN hierin nog verder groeien?
  2. Hoe heeft God u gevormd door de preken die u hebt gehoord in de loop der jaren?
  3. Hoe verhoudt zich ‘goed luisteren’ en ‘doen’ in onze houding t.o.v. de preken in de eredienst? Wat gebeurt er als een van die twee ontbreekt?
  4. Volgens Jacobus moeten wij het Woord van God in praktijk brengen, vooral in ‘levenswandel’ en ‘naastenliefde’. Kunt u hiervan voorbeeld geven? Wat is volgens u de grootste belemmering in het in praktijk brengen van Gods Woord? Hoe kunnen wij dit overwinnen?