Doopdienst - Den Haag, 25 augustus 2013
Lezing: II Timoteüs 1:3-5

Broeders en zusters, geliefd door de Heer Jezus,
Wanneer wij als ouders die onze kinderen liefhebben, hen iets willen meegeven, wat zou het dan ongeveer zijn? Een huis, geld op de bank, een bedrijf, goud… wat nog meer? Onze antwoorden zullen natuurlijk verschillen zijn. Maar ik ben ervan overtuigd dat wij, als ouders, dit niet aan onze kinderen willen nalaten, en dat is "een schuld". Het zou een verdrietige zaak zijn wanneer een kind van zijn of haar ouders een schuld als erfenis krijgt.
Toch was dit wat een vriend van mij in Bogor overkwam. Zijn vader overleed op jonge leeftijd. En liet zijn vrouw en kinderen heel wat schulden na. Mijn vriend was heel teleurgesteld in zijn vader want hij, zijn moeder en vier broeders en zusters moesten heel hard werken vanwege de schulden van zijn vader.
Moeder moest snacks verkopen. Een oudere broer moest stoppen met school en gaan werken om het gezin te onderhouden. Mijn vriend had geluk want hij kon verder studeren, ofschoon alleen op een openbare school. Voordat hij naar school ging moest hij zijn moeder helpen met het verkoop van snacks. Hij kon zich geen schriften veroorloven en moest zijn aantekeningen maken op papier dat meestal werd gebruikt om brood te verpakken. Thuis was er geen elektriciteit maar slechts kaarslicht of licht van olielampen.
Ofschoon hij een hard en moeilijk leven had, nam mijn vriend zich voor om goed te leren en hard te werken. Uiteindelijk slaagde hij er in zijn ingenieurstitel te behalen en had een succesvolle carrière. Hij kon zijn kinderen voor studie naar buitenland sturen. En lering trekken uit zijn eigen ervaring, spaarde mijn vriend al vanaf het begin voor de toekomst van zijn kinderen. Dat is dus de ervaring van één van mijn vrienden die alleen maar schulden erfde. 

Broeders en zusters, als goede en verantwoordelijke ouders die verantwoordelijkheid nemen voor hun kinderen, zullen wij natuurlijk proberen hen iets na te laten dat goed en nuttig is voor hun leven. Natuurlijk zullen mensen met voldoende geld hun kinderen waarschijnlijk een huis, geld, verzekeringen of goederen nalaten. En ouders die maar net de touwtjes aan elkaar kunnen knopen, zullen toch ook proberen de kinderen iets na te laten, misschien niet in een materiële vorm, maar bijvoorbeeld een opleiding of normen en waarden die voor hun van nut kunnen zijn.
Ik heb ooit meegemaakt dat een man bij de kist met het stoffelijk overschot van zijn moeder zei: “Mam, bedankt voor je opvoeding”. Ik ken dit gezin, zij leven eenvoudig, maar deze man kon van zijn leven een succes maken vanwege de opvoeding die zijn moeder hem gaf.

Broeder en zusters, in onze perikoop gaat het ook over de erfenis die Paulus en Timoteüs ontvangen. Een erfenis die veel waardevoller is dan wereldse rijkdom, t.w. “het geloof in God”. In vers drie wordt verteld hoe Paulus dank zegt voor deze erfenis van geloof die hij ontving van zijn voorvaderen, en die ook werd ontvangen door Timoteüs.
Paulus is dankbaar voor het geloof van Timoteüs die hij beschouwt als 'zijn geestelijke zoon’. In vers vijf zegt hij dat het geloof van Timoteüs oprecht is. In de oorspronkelijke taal betekent dit ´een geloof dat niet geveinsd is´. Daarmee wordt bedoeld dat hij dat wat hij gelooft, ook praktiseert.

En hoe komt Timoteüs nu aan dit oprechte en ongeveinsde geloof? Het blijkt dat dit het resultaat is van de opvoeding van zijn grootmoeder Loïs en zijn moeder Eunike. De volgende vraag is dan, wat is het aandeel van zijn vader in de opvoeding van Timoteüs? Is het niet zo dat in Joodse gezinnen de rol van een vader heel dominant is, in het bijzonder in de opvoeding van de kinderen?
Het antwoord op deze vraag vinden wij terug in Handelingen 16:1. Daar wordt gezegd dat de moeder van Timoteüs een gelovig geworden Joodse vrouw was en dat zijn vader een Griek was. Dus wij kunnen twee dingen aannemen over Timoteüs’ vader: één, hij had geen vader of die was al overleden. En twee, zijn vader, een Griek, was niet betrokken bij de opvoeding van Timoteüs.

Maar een belangrijker vraag is hoe zijn grootmoeder Lois en moeder Eunike erin geslaagd zijn Timoteüs dat oprechte en ongeveinsde geloof mee te geven? Een geloof nalaten is minder eenvoudig dan iemand een huis, geld of goederen nalaten. Een huis, geld of goederen kunnen onze kinderen direct in ontvangst nemen. Maar het geloof kun je natuurlijk niet zo maar overdragen. Als voorbeeld: wanneer ouders christenen zijn, worden de kinderen niet automatisch ook christenen.
Volgens John Westerhoff, een christelijke opvoedkundige, zegt in zijn boek ´Will our children have faith’ dat het geloof niet zo maar aan kinderen, of de volgende generatie, nalaten kan of overgebracht kan worden. Het geloof, zoals ook liefde, is een werkwoord maar vraagt ook om in actie om te zetten. Dus geloof moet gedeeld en gepraktiseerd worden.
Wanneer wij willen dat onze kinderen trouw naar de kerk gaan, trouw bidden een de Bijbel lezen, dan moeten wij als ouders onze kinderen het goede voorbeeld geven: wij moeten zelf ook trouw naar de kerk gaan, bidden en bijbel lezen. En dat alleen is ook niet genoeg, wij moeten communiceren met onze kinderen en hen uitleggen waarom het voor ons christenen belangrijk is om naar de kerk te gaan, te bidden en bijbel te lezen. Opdat onze kinderen begrijpen waarom het naar de kerk gaan, bidden en de bijbel lezen de hoogste prioriteit heeft in ons leven.
Het is nodig dat wij zo vroeg mogelijk beginnen met God te introduceren in het leven van onze kinderen. Natuurlijk hopen wij dat zij trouwe kerkgangers zijn en actief in de kerk blijven. Maar geloof heeft niet slechts te maken met godsdienstige activiteiten. Geloof betekent dat wij een relatie of persoonlijke band met God ontwikkelen.
Wij geloven (believe) niet alleen in God maar wij willen onszelf ook aan Hem toevertrouwen. Geloven betekent bereid te zijn ons hele leven in Zijn handen te leggen en onszelf aan Hem toe te vertrouwen: ons hart, onze geest en onze wil. Geloven betekent ook dat wij het aandurven God ons hele leven te laten leiden.

Broeders en zusters, als christenen moeten wij groeien in ons geloof. Misschien zijn wij al lang christen en actief in de bedieningen van de kerk. Maar groeit ons geloof ook naar volwassenheid? Verandert ons karakter dusdanig dat wij met de dag meer naar Jezus’ voorbeeld leven – onze Heer en onze Leraar. Wees niet gauw tevreden en trots wanneer het aantal kerkgangers blijft groeien en de kerkbanken goed gevuld zijn. Belangrijk is of de leden en bezoekers groeien in hun geloof!
In hetzelfde boek, ‘Will our children have faith’ legt John Westerhoff uit dat de groei naar volwassen geloof vier fases kent. Hij vergelijkt de groei van het geloof met de groei van een boom. Een jonge boom van een jaar oud heeft alleen één weefsellaag (cambium). Maar jaar na jaar, naarmate de boom groeit, krijgt het meerdere cambia.
Net als een boom groeit ook het geloof in fases. De eerste fase is de fase van het geloof dat ontstaat uit ervaring (experienced faith). Iemand gelooft in God op grond van wat hij of zij ziet, voelt, opmerkt, in navolging van anderen. Iemand wordt bijvoorbeeld christen omdat hij of zij al op jonge leeftijd door grootouders of ouders wordt meegenomen naar de kerk, Of iemand wordt christen vanwege een wonder of een spirituele ervaring in zijn of haar leven. Of door het aanschouwen van een levende getuigenis van een christen.

Broeders en zusters, deze eerste fase van geloof kan groeien tot de tweede fase die men de affiliatieve fase noemt (affliliative faith). Dat betekent dat de persoon bij wie het geloof is gegroeid vanwege de genoemde ervaringen, zich nu meer committeert en bereid is lid te worden van een kerk. Hij/zij volgt catechisatie, wordt gedoopt en is actief in verschillende activiteiten en bedieningen in de kerk.
Dit geaffilieerde geloof kan verder uitgroeien tot een zoekend geloof (searching faith). In deze fase begint de persoon te twijfelen, vragen te stellen, te zoeken naar de waarheid van zijn of haar geloof. In het bijzonder indien er ongewenste ontwikkelingen zijn in zijn/haar leven, bijvoorbeeld het wegvallen van een geliefde; bij falen of bittere levenservaringen; een oneerlijke bejegening, wanneer gebeden niet beantwoord worden of er geen genezing is van ziekte. Hij/zij begint te twijfelen en is sceptisch over de aanwezigheid van God in zijn/haar leven. Bestaat God wel? En als Hij bestaat, waarom staat Hij dan toe dat dit mij overkomt?
Hij zal blijven zoeken en het antwoord vinden op het probleem waar men mee worstelt. In deze zoekfase kan hij teleurgesteld en boos worden, en het geloof in God verliezen. Maar als hij in deze zoekfase trouw blijft aan het geloof in God, ook al zijn er veel gebeurtenissen zijn die hij niet begrijpt, dan zal God hem helpen. En kan hij groeien naar volwassenheid van zijn eigen geloof (owned faith).
Dat betekent dat zijn geloof in God niet is veranderd en niet wordt beïnvloed door lijden en andere levensperikelen. Dat, zelfs wanneer zijn leven in gevaar komt door zijn geloof in Christus, zal hij standvastig blijven in zijn geloof. Hij heeft een eigen identiteit gevonden als leerling of volgeling van Christus. Niemand kan dit geloof beïnvloeden of aan het wankelen brengen, welke risico’s het ook met zich meebrengt. In welke fase bevindt zich ons geloof?

Broeders en zusters, ook een boom is voor zijn groei afhankelijk van zijn omgeving. Om te groeien heeft hij water, vruchtbare grond en zonneschijn nodig. Ook voor de groei van ons geloof hebben wij een gezonde omgeving nodig. Nu, de kerk zou een omgeving moeten zijn waar leden kunnen groeien in hun geloof. Door lief en leed te delen; door het samen doorworstelen van zware beproevingen, en toch trouw te blijven, God te blijven volgen in de overtuiging dat Hij ons zal helpen. Zo zal ons geloof groeien.

De apostel Paulus wist en besefte dat de toekomst van de kerk afhankelijk is van het nalaten van het geloof, niet alleen door Loïs aan Eunike en verder aan Timoteüs, maar ook door Timoteüs aan de volgende generatie. Dat geldt ook voor de toekomst en voortzetting van de GKIN: het is heel belangrijk dat het geloof door de ene generatie aan de andere wordt doorgegeven. Onze kinderen, de jongere generatie, moet de GKIN in de toekomst voortzetten.
Ik herinner me de ‘openluchtdienst’ in Zeeland van enkele maanden geleden, waar een vrouw getuigde dat zij heel dankbaar was voor het mogen meedoen aan programma’s waar oud en jong aan deelnamen: zingen, recreëren en Gods Woord bestuderen. Vroeger, zei deze vrouw, leefden er bij enkele pioniers van onze regio de ongerustheid wie de GKIN zou voortzetten. God zij geloofd, nu blijkt dat deze ongerustheid niet is uitgekomen.

Wij zijn dankbaar dat wij vandaag getuige mogen zijn van de doop van twee kinderen: Bevhyn Keylen en Vanessa Angel. Wij bidden voor hen en steunen hen opdat zij mogen opgroeien als kinderen die blijven geloven en God vrezen. Wij weten dat in deze tijd de taak van ouders niet eenvoudig is. Maar wij moeten ook niet vergeten dat het opvoeden en voorbereiden van de jonge generatie, onze opvolgers, niet alleen een taak is van de ouders maar ook een gezamenlijk taak van ons als gemeente, opdat het geloof van de kinderen, de volgende generatie, kan blijven groeien. En wij hopen dat wanneer zij op hun beurt ouder worden, zij het christelijke geloof kunnen overdragen aan hun kinderen, en zo verder.

God zegent ons allen.