GKIN regio Den Haag; 9 juni 2013

Efeziërs 4:1-16

Een kleine muis, die op een boerderij leefde, zag op een dag door een spleet in de muur, hoe de boer en zijn vrouw een pakje open maakten. De muis was heel nieuwsgierig wat er wel in het pakje zat. Hij schrok hevig, toen hij zag dat er een muizenval in het pakje zat. Hij rende naar buiten het erf op en waarschuwde alle dieren. In het huis is een muizenval!!! In het huis is een muizenval!!!! De kip deed haar kop omhoog en sprak: “Ik begrijp het helemaal hoor, meneer muis, dat u geschrokken bent van de muizenval, maar met mij kan er niet veel gebeuren”. Toen ging de muis naar het varken. “Het spijt me hoor, meneer muis, maar ik kan niks voor u doen. Ik zal voor u bidden”. Tenslotte ging de muis naar de koe. De koe was druk en zei: "Sorry meneer muis. Ik heb geen tijd. Kom later terug."

Terneergeslagen en met hangend hoofd ging de muis terug naar het huis. Hij wist nu dat niemand hem zou helpen. Hij stond helemaal alleen met dit probleem. In de volgende nacht gebeurde het. In het hele huis kon je het horen, de muizenval was dicht geslagen. Heel snel ging de boerin kijken wat ze gevangen had in de muizenval.
Omdat het donker was, kon ze niet herkennen dat het een giftige slang was die met zijn staart vast zat in de val. Toen beet de slang de vrouw. De boerin kreeg hele hoge koorts en de boer wist, de beste manier om koorts te behandelen, was een goede kippensoep. Hij nam zijn bijl en ging naar het kippenhok om de kip te slachten. Maar de boerin werd alsmaar zieker. Buren en vrienden kwamen om de beurt, om bij de zieke te waken. Om hen allemaal te voorzien van eten werd het varken geslacht. Maar de boerin werd niet beter, zij stierf! Iedereen kwam naar de begrafenis, de buren, vrienden en familie. Om voor zoveel mensen eten te verzorgen moest tot slot de koe geslacht worden. De muis keek naar dit alles met groot verdriet. 
Vanuit dit verhaal zien wij hoe belangrijk wij voor elkaar zijn. Wij moeten niet onze oren en hart sluiten voor het probleem van de ander. Het kan zijn, dat het probleem ook ons probleem word.

Eenheid als gave en opgave
In onze lezing zien wij hoe sterk de verbondenheid is in de gemeente. Nog meer eigenlijk dan de verbondenheid tussen de muis, kip, varken, en koe. Paulus noemt de gemeente het ‘lichaam van Christus”. In het lichaam zijn er allerlei lichaamsdelen die van elkaar verschillen, maar ze zijn een, een lichaam. Paulus spoort de gemeente aan om de eenheid te bewaren. Iets wat wij moeten bewaren betekent allereerst dat het er al is. Aan de andere kant: als wij dat niet goed bewaren, kunnen wij dat verbreken of kwijtraken. Zo is het ook met de christelijke eenheid. De eenheid is feitelijk al aanwezig. De christelijke eenheid is niet iets wat wij zelf moeten bereiken of creëren. Het is een gave, een geschenk van God die wij moeten bewaren en niet verbreken of kwijtraken. In de gemeente van Efeze, net als in andere gemeenten in het Nieuwe Testament is er vaak een gespannen verhouding tussen de Joodse christenen en de niet Joodse Christenen (de Grieken, Romeinen, etc), waarbij de eersten hun wettische opvattingen aan de laatsten wilden opleggen. Maar door de dood van Christus heeft God alle verdeeldheid weggenomen. In Christus zijn zij een. (Dat lezen wij in de genade verkondiging: Efeziërs 2:14-18). 
Wij houden allemaal van een geschenk. Niet waar? Maar hoe vaak zoeken wij een geschenk in iets groot. Ik geef een voorbeeld: Stel dat onze gemeente een geschenk krijgt van de overheid of van iemand: 10 miljoen euro. Wie zal dat geen geschenk noemen? Maar laten wij onze ogen open doen voor wat wij al krijgen als lichaam van Christus.
1. Wij mogen verbonden zijn met het Hoofd: Christus Jezus. Wat is dat geweldig. Een onbeschrijfelijk geschenk.
2. Als wij kijken naar ons lichaam, zien wij dat het ene lichaamsdeel niet zonder het andere lichaamsdeel kan.
(de hand kan niet tegen de voet zeggen: ik heb je niet nodig, etc). Voor het lichaam van Christus (de gemeente) is het geschenk door God gegeven: geschenk van eenheid. Wij zijn aan elkaar gegeven als geschenk.
Het geschenk voor de handen zijn de voeten, geschenk voor de ogen is de mond, etc.
Het geschenk dat God ons geeft als een gemeente is dus: wij allen. Kijk naar degene naast u, voor u, achter u. Ze zijn Gods geschenk voor u/jou.  

Als wij kijken naar ons lichaam, wat verbindt de lichaamsdelen of lichaamsorganen met elkaar? Wat maakt de lichaamsdelen levend? Het antwoord is de geest. Zonder de geest is er geen leven in het lichaam. Zonder de geest noemen wij het lichaam geen lichaam, maar een lijk of stoffelijk overschot. Zo is het ook met de gemeente als het lichaam van Christus. Wij zijn gedreven door dezelfde Geest, de Heilige Geest. De Heilige Geest verbindt ons met elkaar. In ieder van ons die in de Here Jezus gelooft en Hem aanvaardt als Heer en Verlosser woont dezelfde Geest. Weet dat in onze relatie en omgang met elkaar dezelfde Geest werkt, dezelfde Geest communiceert, de Heilige Geest.

Die eenheid in de gemeente is zo belangrijk en fundamenteel. Paulus noemt zelf een zevenvoudige eenheid die ons samen bindt: “één lichaam, één geest, één hoop, één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader”.

Eenheid is dus een gave. Maar behalve een gave is eenheid ook een opgave (taak). Het is de taak van de gemeente zich in te spannen om deze eenheid te bewaren, ze moeten zich ervoor beijveren. Dat is dus een actieve daad! Hoe moet de eenheid bewaard worden? Door onze christelijke houding ten opzichte van de ander (vers 2 en 3). ‘Wees steeds bescheiden, zachtmoedig en geduldig, en verdraag elkaar uit liefde”, zegt Paulus. Bescheidenheid is geen populair woord in een mondige maatschappij tegenwoordig. En toentertijd was het ook niets anders. De Grieken beschouwden dit als een scheldwoord. Hetzelfde woord als laaghartigheid. Maar Paulus zegt dat de eenheid in de gemeente  bewaard kan worden als wij leven in bescheidenheid. Bescheidenheid is het tegenovergestelde van hoogmoedigheid. Hoogmoedigheid verdeelt de gemeente.
“Bescheidenheid, zachtmoedigheid en geduld”. Dat zijn geen tekenen van zwakheid, maar van sterkte. Als deze eigenschappen ons eigen zijn, zal iedereen merken dat wij lijken op onze Meester. Ooit heeft de Here Jezus gezegd in Matteüs 11:28-30: “28 Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven. 29 Neem mijn juk op je en leer van mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, 30 want mijn juk is zacht en mijn last is licht.’ 

Het grootste gevaar voor de eenheid in de gemeente is eigenlijk onszelf. Wanneer in plaats van bescheidenheid, zachtmoedigheid en geduld, en liefde juist het tegenovergestelde wordt gepraktiseerd: hoogmoedigheid, hardheid, ongeduld, het zoeken naar eigen belangen, de ogen sluiten voor de behoeften of problemen van de anderen (net als in het verhaal van de muis, kip, varken, koe), bitterheid, haat.  Laten wij alert zijn. Wanneer God Zijn gemeente bouwt, zal de duivel alles doen om de gemeente kapot te maken. Zoals Maarten Luther eens zei: ‘Waar God Zijn kerk bouwt, daar bouwt de duivel zijn kapel ernaast’.

Eenheid is een opgave. Wij moeten ons daarvoor inzetten op verschillende schaal: lokaal (GKIN regio Rijswijk/ Den Haag), landelijke GKIN, nationaal, en wereldwijd.
In Nederland (Nationale schaal) horen wij een steeds sterkere roep voor kerken om de eenheid te bewaren temidden van de onderlinge verdeeldheid (vgl. Johannes 17:21). Een belangrijke stap was De Nationale Synode, die gehouden werd in Dordrecht 10-11 december 2010. GKIN was op die dagen vertegenwoordigd door de predikanten samen met enkele ouderlingen. 
In de locale gemeente, zoals bij ons in de GKIN, zal de gemeente groeien en opgebouwd worden, als wij de eenheid in de gemeente bewaren. Over eenheid gesproken, moet ik  denken aan mijn ervaring thuis. Als Kathinka en ik elkaar omhelzen, weet u wat er daarna gebeurt? Onze kinderen Samuël en David komen één voor één naar ons toe, omhelzen ons en ook elkaar. Wij roepen hen niet, maar ze komen uit zichzelf. Kinderen voelen zich veilig wanneer ze merken dat er eenheid en liefde is in een gezin. Eenheid en liefde zijn belangrijke voorwaarden om goed te kunnen groeien in veel opzichten: in karakterontwikkeling, prestaties op school, etc. Zo is het ook in de gemeente. Zonder eenheid is men bang of terughoudend om zijn/haar bijdrage te geven voor de gemeente. Wanneer er eenheid is, zal het lichaam van Christus opgebouwd worden. 

De opbouw van de gemeente
God wil Zijn gemeente bouwen. Hoe doet God dat? N.T. Wright (de bekende Nieuw Testamenticus) zegt: “God wil dat niet doen zonder ons en God wil dat niet doen namens ons”. Wij worden geroepen om in eenheid Zijn gemeente te bouwen. Maar wat mooi is: God vraagt ons nooit iets te doen zonder dat Hij ons de gaven geeft die wij nodig hebben. In onze lezing noemt Paulus in het bijzonder de vijfvoudige bediening in de gemeente:
- Apostelen (gezondene). In eerste instantie zijn dit de 12 apostelen. Maar apostelschap heeft ook een brede betekenis, namelijk mensen die gemeenten hebben gesticht.
- Profeten. De taak van profeten is om uit de bijbel te onderwijzen. Door hun prediking spreekt de Heilige Geest tot de gemeente. Zo wordt de gemeente bemoedigd, vermaand, en opgebouwd.
-  Evangelieverkondigers. Evangelieverkondigers zijn verkondigers van het goede nieuws, van Jezus. Zoals Timoteüs.
- Herders (opzieners) en leraren worden hier in één adem genoemd: het gaat hier om dezelfde groep mensen. Ze zijn ambtsdragers in de gemeente. Er is wel een verschil wat betreft de taken. De herders zijn meer leidinggevend bezig en de leraars meer onderrichtend. Beide zijn wel verbonden aan een plaatselijke gemeente. Het ambt van dominee zoals wij dat nu kennen, komt voort uit deze beide bedieningen (zowel herder als leraar). Het ambt van ouderling komt voort uit de eerste bediening, herder.

Maar het is niet Gods bedoeling dat alleen deze mensen het werk van de gemeente doen. Net als in een voetbalwedstrijd: waar 11 mensen hard rennen heen en weer, vallen en opstaan, springen en zweten, geblesseerd en gewond raken. Terwijl de 16 miljoen toeschouwers doen net alsof ze allemaal de bondscoach zijn: ‘Je moet naar die kant. Pak die bal! Snel rennen. Nog sneller! Schieten. Nu! Ah, wat ben je slecht!’. Dat is te vergelijken met een gemeente waar alles draait om de predikant en de ouderlingen. Waar de leden passief zijn of niet betrokken worden, net als de toeschouwers. De gaven van apostelen, profeten,  evangelieverkondigers, herders en leraren (die vijfvoudige bediening) zijn juist gegeven door Christus om de heiligen, de hele gemeente toe te rusten voor het werk in Zijn dienst.

Niet iedereen van ons wordt geroepen als predikant, maar ieder van ons krijgt wel gaven van Christus. In vers 7 zegt Paulus: ‘Aan ieder van ons is genade geschonken naar de maat waarmee Christus geeft. Vers 8: …. Hij schonk gaven aan de mensen.’ Er zijn nog verscheidende gaven die Paulus in zijn andere brieven noemt, maar die niet staan in deze brief.

Gemeente van de Here Jezus. Er is niemand die geen gaven van God heeft gekregen. Er is ook niemand die alle gaven krijgt. Daarom hebben wij elkaar nodig en hebben wij iets te bieden aan elkaar. Een ieder van ons is onmisbaar. Gebruik daarom de gaven die Christus u/je geeft voor de opbouw van Zijn gemeente. Wij zijn leden van het lichaam van Christus. Wanneer wij verbonden zijn met Christus, het Hoofd, wanneer wij in eenheid en liefde verbonden zijn met elkaar, wanneer een ieder van ons als deel van het lichaam zijn plaats, zijn rol, zijn functie inneemt gebaseerd op zijn gaven, zal het hele lichaam opgebouwd worden. Moge God onze gemeente zegenen.

Amen.