GKIN RIJSWIJK, 2 Augustus 2009, 7e Zondag van de Zomer

Lezing : Marcus 7: 1-23

In 't bijzonder willen wij stilstaan bij wat geschreven staat in ver 6:
"Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij"

Het gaat in onze tekst over onze mond en ons hart. Jezus haalt woorden aan uit het profetenboek Jesaja [29:13], waarin de Here God erover klaagt dat zijn volk nadert om Hem te dienen en zijn naam te verheerlijken, maar dan alleen met hun lippen, niet met hun hart. Uiterlijk zijn zij dichtbij God, maar hun hart is ver van Hem vandaan. Wij hebben daar een woord voor: "lippendienst" of in 't Engels: "lip-service".

We kennen die uitdrukking maar al te goed: vleiende woorden aan het adres van een hooggeplaatste functionaris die op bezoek komt en toespraken moet aanhoren met daarin een verslag van de vooruitgang en de successen die te danken zijn aan zijn wijze van leiderschap; allemaal resultaten die hij, naar men aanneemt, graag wil horen. Hoe de zaken er in werkelijkheid voorstaan, dat wordt maar liever niet vermeld. "Lippendienst" heet dat verschijnsel.

Hooggeplaatsten die werkelijk wijze mensen zijn, houden absoluut niet van dat soort schijnvertoningen. Zij willen liever op de hoogte gesteld worden van de werkelijke situatie, en ook, of hun onderdanen hun beleid wel echt op prijs stellen, of juist helemaal niet. Aan lippendienst hebben ze een hekel.
Zo ligt dat ook in de relatie tussen God en zijn mensen. Aan lippendienst en uiterlijkheden heeft God niets. Hij wil weten wat er in ons hart leeft: hebben wij Hem werkelijk lief en doen wij dan ook wat Hij graag wil?

Uiterlijk en innerlijk weerspiegelen deze twee elkaar? Of is het zo, dat we het uiterlijke boven alles stellen, terwijl we het innerlijke veronachtzamen?
En is de richting dan: van buiten naar binnen of van binnen naar buiten?

Het gaat in wat we vandaag lezen over eten: van buiten naar binnen wat dan vervolgens een gelijkenis wordt van uiterlijk naar innerlijk en omgekeerd: van innerlijk naar uiterlijk. Hoe zit dat?
De kwestie rees, toen een groep Farizeeen en Wetgeleerden erop toe kwamen zien of de leerlingen van Jezus wel hun handen wasten voor het eten. Sommige leerlingen deden dat wel en sommige deden dat niet.

Dus vroegen ze aan Jezus: "Waarom eten uw leerlingen met onreine handen en wassen ze niet eerst op de manier zoals onze traditie voorschrijft?"
Dat gaat niet over gewoon handen wassen. Want dat is natuurlijk geen punt van discussie. Ik ga u daarover iets vertellen.

Twee maanden terug was ik een paar dagen in Marrakesj. Na de landing moest ik door een check-poortje dat mijn temperatuur af kon lezen. Als er koorts van mij afstraalde was, zou ik geisoleerd en verder onderzocht. Op een groot bord stond vermeld, dat deze maatregel nodig was om "la grippe porcine" te voorkomen. Er stond niet "la grippe Mexicaine", maar "grippe porcine" en dat heeft het "porc" te maken: varkensgriep. Als ik daarmee besmet zou zijn, dan zou ik in quarantaine moeten en mijn handen onophoudelijk moeten wassen.
Dat valt goed te begrijpen! En we moeten het maar alvast in onze oren knopen, mocht het zover komen.
Jezus zou daar ongetwijfeld volkomen achter staan. Ook in de operatiekamer mogen de chirurgen en hun operatie-team alleen maar aan de slag, wanneer ze eerst hun handen en armen uit den treure gewassen hebben met ontsmettende zeep en steriel water.

Waar Jezus het n’et mee eens is, dat die geestelijk leiders rituele wassingen verpl’cht stelden, hoewel dat niet door de Here God was bevolen. Die geestelijken waren komen uitzoeken of Jezus' leerlingen zich wel aan dat rituele handenwassen hielden, en toen bleek dat n’et alle discipelen dat deden, maakten ze Jezus verwijten daarover.
Voor zulke scherpslijpers hoef je niet te capituleren door bijvoorbeeld tegen de leerlingen te zeggen, dat ze een volgende keer, als die heilige boontjes in de buurt zijn, toch maar ter wille van de lieve vrede die rituele handwassing moeten doen. Nee! Jezus trok fel tegen hen van leer.

Laat ze niet vergenoegd zijn met het opleggen van alle mogelijke verplichtingen aan anderen, om zelf in aanzien te stijgen en tegelijk die arme mensen religieus extra te belasten, zodat ze zich voortdurend schuldig voelen omdat ze niet heilig genoeg zijn, en bovendien de Here God opdringerig lastig vallen met godsdienstigheid waarom Hij nooit gevraagd heeft.
Want wat gebeurt er dan? Dan gaan we onze eigen menselijke wetsregeltjes belangrijker achten dan wat God ons feitelijk opdraagt.

En wat draagt God ons op? Liefde, niet anders!

Jezus noemt een voorbeeld: God sprak: "Eert uw vader en uw moeder". Maar jullie geven de raad: "Zeg maar tegen je ouders: deze gave heb ik al bestemd als qurban'" hoewel je ouders erg om hulp verlegen zitten. Daar komt nog bij dat de geestelijke leiders hun percentage van die 'qurban' krijgen.
U weet toch wat 'qurban' is? Dat is een liefdegave, waarmee je jezelf dichtbij God brengt. Maar dat kan nooit, als je daarmee zijn gebod naast je neerlegt. Jezus neemt het de geestelijke leiders ernstig kwalijk dat ze het gebod van God ontkrachten door hun eigen vindingrijke en sluwe adviezen.

Lip-service'! Het hart ver van God, geen innige omgang met Hem.
Wat uit een dergelijk hart naar buiten komt, dat is onrein niet wat door de mond naar binnen gaat, als je je handen niet ritueel hebt gereinigd.
Jezus zei tegen zijn leerlingen: "Jullie z’jn al rein" zoals een boer zijn wijnstokken opschoont door de onvruchtbare loten weg te snoeien "Jullie z’jn al rein door het woord dat Ik tot jullie gesproken heb" het Woord dat door het gehoor naar binnen komt, en dat geloof wekt in ons hart geloof dat goede vruchten opbrengt, geloof in Hem, Gods eigen reine offergave, Gods qurban tot ons heil en daarom tot zijn eer.

Amen.